‘Landschapspijn’ bij bouw windmolens wordt onderschat

21 december 2016Bij de bouw van windmolenparken en zonnevelden onderschatten overheden en energiebedrijven de ‘landschapspijn’ die omwonenden voelen. Ze zijn te veel gespitst op sluitende business cases of het doorlopen van procedures. Dat stelt het onderzoeksbureau Brabant Kennis.

Uit een bericht van het Brabants Nieuwsblad
‘(…) De impact op de dagelijkse leefomgeving wordt vaak als een technische kwestie gezien en dikke rapporten moeten aantonen dat een project aan de normen voldoet. ,,In veel gevallen wordt daarbij voorbij gegaan aan de werkelijke bezwaren van omwonenden of de gevolgen voor de ruimtelijke kwaliteit”, zeggen de onderzoekers. De weerstand tegen alternatieve energie heeft tot gevolg dat slechts een op de tien initiatieven de eindstreep haalt. (…)’

Over het bevorderen van maatschappelijk draagvlak

Uit een essay van Brabant Kennis
‘(…) De ruimtelijke en landschappelijke gevolgen van de energietransitie [worden] onderschat, een tamelijk vreemde constatering in een dichtbevolkt land dat niet beschikt over uitgestrekte gebieden voor kilometerslange windparken en zonnevelden. Niet voor niets zorgt de ruimtelijke weerslag van duurzame energie op veel plekken voor ophef, zoals iedere keer weer blijkt uit de felle protesten tegen met name de komst van windturbines. (…) Terecht of niet, de zorgen over de aantasting van de leefomgeving vormen onbedoeld een obstakel op weg naar een succesvolle ‘energierevolutie’. Het laat zien dat deze collectieve opgave zich niet altijd even gemakkelijk verhoudt tot individuele belangen en maatschappelijke gevoelens, en hier en daar verzandt in eindeloze discussies over mooi en lelijk. In de woorden van voormalig rijksadviseur voor het landschap Dirk Sijmons: “het risico bestaat dat het internationale streven naar een omslag van fossiele naar duurzame energie sneuvelt in de lokale loopgraven van het planologische NIMBY-denken – oftewel, het is vast belangrijk zo’n windpark, maar not in my backyard”. (…) Over het algemeen zien overheden, energiebedrijven en -coöperaties, ontwikkelaars en netbeheerders de ruimtelijke component slechts als een uitwerking- of inpassingsvraagstuk, een relatief gemakkelijk sluitstuk van een ingewikkeld besluitvormingstraject waarin economische motieven en het hebben van een gedegen businesscase de boventoon voeren. Initiatiefnemers en gemeenten (die lang niet altijd beschikken over passend ruimtelijk beleid) zijn vooral gespitst op het doorlopen van planologische procedures. Daardoor wordt de impact op de dagelijkse leefomgeving (veiligheid, slagschaduw, geluid) meestal als een technische kwestie gezien. (…)
Om de energietransitie voor 2050 tot een goed einde te brengen, is het van groot belang om naast de noodzakelijke politieke, juridische, economische, technologische en fiscale maatregelen de ruimtelijke dimensie niet alleen serieuzer te nemen, maar ook breder op te vatten dan beschikbaarheid alleen. (…)
Ook in Noord-Brabant is men zich ervan bewust dat de snelheid van en het draagvlak voor de energietransitie in toenemende mate wordt bepaald door kennis en competenties in het ruimtelijk domein. In het eerder dit jaar verschenen Uitvoeringsprogramma Energie staat ‘dat energie in de toekomst meer onderdeel uit gaat maken van onze leefomgeving’, ‘dat het enkel inpassen van windmolens en zonneweides in ons landschap op termijn niet meer volstaat’ en ‘dat Brabant er daarom voor kiest om te werken aan nieuwe energielandschappen’ (…)
Om de doelen van ‘Parijs’ te halen moet de komende jaren voor duizenden kleine en grote installaties (zonnevelden, biomassa, windmolens) ruimte worden gevonden in de Brabantse steden en dorpen, veelal op plekken die nu andere bestemmingen hebben en waarvan de eigenaren andere belangen hebben. Om vaart te maken, is het creëren van maatschappelijk draagvlak cruciaal. Dat kan onder meer door het eigenaarschap van de nieuwe energie-installaties rondom de bron, ruimtelijk en beleidsmatig te organiseren. Dit betekent werk aan het landschap – dat vergt kennis en competenties op het snijvlak van ruimte, technologie en samenleving. (…)
De technologische mogelijkheden en de economische voorwaarden zijn nagenoeg in kaart gebracht, maar over de acceptatie van nieuwe technologieën – windturbines van 200 meter hoog, een gigantische biomassa-installatie, een power wall voor de deur – en het effect hiervan op leefomgevingen, gemeenschappen en regelgeving bestaat nog veel onzekerheid. (…)’

Drie suggesties

Brabant Kennis komt met drie suggesties:

  1. Maak lokaal het verschil 
    Om de interactie tussen nieuwe vormen van energiewinning, de dagelijkse leefomgeving en het acceptatievermogen van mensen in goede banen te leiden en zo de maatschappelijke weerstand zoveel mogelijk weg te nemen, is en blijft het lokale schaalniveau het belangrijkste speelveld.
  2. Schakel tussen schaalniveaus
    Hoewel op lokaal niveau het verschil wordt gemaakt, wil het niet zeggen dat alle initiatieven die in een gemeente of regio op tafel komen ook daadwerkelijk moeten worden gerealiseerd. De effectiviteit van een lokaal project moet dus in een groter verband worden beoordeeld.
  3. Werk vanuit een gezamenlijke visie
    Het spiegelen van ambities en projecten aan een hoger schaalniveau werkt alleen als alle overheden dezelfde ambitie delen. Vriend en vijand zijn het eens dat zonder een duidelijke visie op nationaal niveau de energietransitie onbegonnen werk is. Een heldere koers is nodig zodat initiatieven en investeringen op lagere schaalniveaus renderen en bijdragen aan overkoepelende ambities.

Bronnen
Brabants Nieuwsblad, 21 december 2016: ‘Landschapspijn’ bij bouw windmolens (via Blendle)
Brabant Kennis, essay, zonder datum (moet in december 2016 zijn): Over de impact van schone energie op het Brabantse landschap
Foto: Windpark Houten (foto’s: Eneco)

 

Onderwerpen:

Auteur: Redactie

Reageren op dit artikel is niet mogelijk.