beeld: Innogy

Innogy en Shell wagen zich aan drijvende windturbines

Innogy, Shell en het Deense Stiesdal Offshore Technologies gaan samen in Noorse wateren het windproject Tetraspar realiseren. Kenmerkend voor deze offshore windturbine is het gebruik van een drijvende. Tetraspar is een pilootproject, waarin de drie partners onder meer zullen onderzoeken in welke mate drijvende windparken kunnen bijdragen aan het verlagen van de kosten van offshore windenergie.

TetraSpar, dat in 2019 in gebruik zou worden genomen, zal bestaan uit een 3,6 MW Siemens Gamesa Renewable Energy aangedreven offshore windturbine. De fundering zal op ongeveer 10 km van de kust in de buurt van Stavanger worden geplaatst, op een diepte van 200m. Het drijvende gedeelte bestaat uit een stalen buisvormige stellage met een hangende kiel. Deze wordt met drie ankerlijnen aan de zeebodem vastgeklonken en op het elektriciteitsnet aangesloten.

“De geïndustrialiseerde aanpak van het TetraSpar-ontwerp, in combinatie met de ervaring van de aangesloten partijen in offshore windprojecten maakt het mogelijk om op termijn een grootschalige en kosteneffectieve inzet van drijvende windprojecten over de hele wereld te realiseren,” meent Hans Bünting, coo hernieuwbare energie bij Innogy. “Hij geeft ons de mogelijkheid om in dieper water te bouwen met turbines die hogere windsnelheden aankunnen.”

Tetraspar zal niet de allereerste gebruiker zijn van een drijvende fundering bij de productie van offshore windenergie. Nabij de kust van de Schotse Midlands heeft het Noorse Equinor vorig jaar Hywind geïnstalleerd, een groep van vijf drijvende windturbines, elk met een van 6 MW, rotordiameter van 154 m en een tiphoogte van 253 m.

Auteur: Koen Mortelmans

Koen Mortelmans is freelance redacteur voor FluxEnergie en Nieuwsblad Transport.

Reageer ook

Nog maximaal tekens

Log in via een van de volgende social media partners om je reactie achter te laten.